كورس · الوحدة ١٢

Lezen · القراءة

الدورة كلّها مفتوحة للجميع هذه الأيّام، بلا تسجيل، ريثما نُنهي مراجعة النصوص. وبعد المراجعة تبقى الوحدات الثلاث الأولى مفتوحة، وما سواها مع الدورة.

اقرأ النصّ مرّتين: في المرّة الأولى دون توقّف، وفي المرّة الثانية ببطء وتركيز.

In het restaurant
سرعة الاستماع

يوجد زر للاستماع إلى النص. يمكنك الاستماع إليه أثناء القراءة؛ فهذا ليس غشًا، بل جزء من عملية التعلّم.

الضغط على أيّ جملة هولنديّة يُشغّل نطقها، والضغط عليها مرّة أخرى يوقف الصوت.

Wij gaan naar een restaurant. Ik heb een tafel gereserveerd. Het restaurant is vol, maar wij hebben een vrije tafel op het terras. Anke en Bram komen ook. Wij zijn met vier personen. Ik heb honger en Omar heeft dorst.

نذهب إلى مطعم. حجزت طاولة. المطعم ممتلئ، لكن لدينا طاولة شاغرة على التراس. وأنكه وبرام سيأتيان أيضاً. نحن أربعة أشخاص. أنا جائعة وعمر عطشان.

De ober geeft ons de menukaart. Kies maar, zegt hij. Ik lees de menukaart langzaam. Ik ken niet elke naam. Er is soep, rijst met kip, vis met aardappel, en salade met groente en fruit. Ik vraag: is de kip halal? De ober weet het niet en gaat het vragen.

يعطينا النادل قائمة الطعام. ويقول: اختاروا على راحتكم. أقرأ قائمة الطعام ببطء. ولا أعرف كلّ اسم فيها. هناك شوربة، وأرزّ مع الدجاج، وسمك مع البطاطا، وسلطة مع الخضار والفواكه. أسأل: هل الدجاج حلال؟ لا يعرف النادل، فيذهب ليسأل.

De kip is niet halal. Ik bestel het vegetarische gerecht. Neem de soep, zegt Anke. De soep is hier lekker. Omar bestelt rijst zonder vlees. Bram bestelt vis. De ober brengt brood en water. Eet smakelijk, zegt hij.

الدجاج ليس حلالاً. أطلب الطبق النباتيّ. تقول أنكه: خذي الشوربة، فالشوربة هنا لذيذة. يطلب عمر أرزّاً من دون لحم. ويطلب برام سمكاً. يُحضر النادل خبزاً وماءً، ويقول: بالهناء والشفاء.

Het eten smaakt goed. Op de tafel staan het zout, een bord, een vork en een mes. Omar wil een toetje. Het toilet is op het terras, rechts. Wij willen afrekenen. De ober vraagt: samen of apart? Apart, zeggen wij. En wij geven een fooi, want de ober was aardig.

الطعام لذيذ. وعلى الطاولة الملح، وصحن، وشوكة، وسكّين. يريد عمر حلوى. والحمّام على التراس، على اليمين. نريد دفع الحساب. يسأل النادل: معاً أم كلّ واحد على حدة؟ نقول: كلّ واحد على حدة. ونترك بقشيشاً، لأنّ النادل كان لطيفاً.

أسئلة الفهم

  1. أين جلسوا، ولماذا؟
  2. ماذا فعل النادل حين سُئل عن الحلال؟
  3. ماذا طلبت فاطمة في النهاية؟
  4. ماذا اختاروا عند الدفع: معاً أم كلّ واحد على حدة؟
  5. لماذا تركوا بقشيشاً؟

ما في هذا الدرس

٢٩ كلمة جديدة، و٦٠ كلمة تعود من أسبوع سابق. التكرار مقصود: مع الاستمرار والمراجعة تثبت الكلمات في ذاكرتك، وليس من خلال القوائم وحدها.

Gebiedende wijs · صيغة الأمر

Kies maar rustig.

جذر الفعل وحده، صورة واحدة للمذكّر والمؤنّث والجمع، وmaar بعدها تجعلها دعوةً لا أمراً.

الأسماء مع de / het ، 30

أداة التعريف جزء مهم من الاسم، لذلك من الأفضل حفظ الاسم مع أداته: de أو het. وللعربيّة تقسيمها هي: مذكّر ومؤنّث، لكنّه لا يوافق de وhet، فلا يصحّ أن تحدس أداة الكلمة من جنسها في العربيّة. وانتبه: الجمع يأخذ de دائماً، مهما كانت أداة المفرد. het adres تصير de adressen، ولا تُقال het adressen أبداً.

de aardappel
de aardappels
البطاطا
het bord
de borden
الطبق / الصحن
Het eten smaakt goed. Op de tafel staan het zout, een bord, een vork en een mes.الطعام لذيذ. وعلى الطاولة الملح، وصحن، وشوكة، وسكّين.
het brood
de broden
الخبز
De ober brengt brood en water. Eet smakelijk, zegt hij.يُحضر النادل خبزاً وماءً، ويقول: بالهناء والشفاء.
de dorstالعطش
Ik heb honger en Omar heeft dorst.أنا جائعة وعمر عطشان.
de fooi
de fooien
البقشيش
Apart, zeggen wij. En wij geven een fooi, want de ober was aardig.نقول: كلّ واحد على حدة. ونترك بقشيشاً، لأنّ النادل كان لطيفاً.
het fruitالفاكهة
Er is soep, rijst met kip, vis met aardappel, en salade met groente en fruit.هناك شوربة، وأرزّ مع الدجاج، وسمك مع البطاطا، وسلطة مع الخضار والفواكه.
het gerecht
de gerechten
الطبق
De kip is niet halal. Ik bestel het vegetarische gerecht.الدجاج ليس حلالاً. أطلب الطبق النباتيّ.
de groente
de groentes
الخضار
Er is soep, rijst met kip, vis met aardappel, en salade met groente en fruit.هناك شوربة، وأرزّ مع الدجاج، وسمك مع البطاطا، وسلطة مع الخضار والفواكه.
de hongerالجوع
Ik heb honger en Omar heeft dorst.أنا جائعة وعمر عطشان.
de kies
de kiezen
الضرس (وkies أيضاً فعل الأمر: اختر)
De ober geeft ons de menukaart. Kies maar, zegt hij.يعطينا النادل قائمة الطعام. ويقول: اختاروا على راحتكم.
de kip
de kippen
الدجاج
Ik vraag: is de kip halal? De ober weet het niet en gaat het vragen.أسأل: هل الدجاج حلال؟ لا يعرف النادل، فيذهب ليسأل.
De kip is niet halal. Ik bestel het vegetarische gerecht.الدجاج ليس حلالاً. أطلب الطبق النباتيّ.
de menukaart
de menukaarten
قائمة الطعام
Ik lees de menukaart langzaam. Ik ken niet elke naam.أقرأ قائمة الطعام ببطء. ولا أعرف كلّ اسم فيها.
het mes
de messen
السكين
de naam
de namen
الاسم
Ik lees de menukaart langzaam. Ik ken niet elke naam.أقرأ قائمة الطعام ببطء. ولا أعرف كلّ اسم فيها.
de ober
de obers
النادل
De ober geeft ons de menukaart. Kies maar, zegt hij.يعطينا النادل قائمة الطعام. ويقول: اختاروا على راحتكم.
Ik vraag: is de kip halal? De ober weet het niet en gaat het vragen.أسأل: هل الدجاج حلال؟ لا يعرف النادل، فيذهب ليسأل.
de persoon
de personen
الشخص (persoon = عند الحجز والحساب)
het restaurant
de restaurants
المطعم
Wij gaan naar een restaurant. Ik heb een tafel gereserveerd.نذهب إلى مطعم. حجزت طاولة.
Het restaurant is vol, maar wij hebben een vrije tafel op het terras.المطعم ممتلئ، لكن لدينا طاولة شاغرة على التراس.
de rijstالرز
Omar bestelt rijst zonder vlees. Bram bestelt vis.يطلب عمر أرزّاً من دون لحم. ويطلب برام سمكاً.
de salade
de salades
السلطة
de soep
de soepen
الشوربة
Neem de soep, zegt Anke. De soep is hier lekker.تقول أنكه: خذي الشوربة، فالشوربة هنا لذيذة.
de tafel
de tafels
الطاولة
Wij gaan naar een restaurant. Ik heb een tafel gereserveerd.نذهب إلى مطعم. حجزت طاولة.
Het restaurant is vol, maar wij hebben een vrije tafel op het terras.المطعم ممتلئ، لكن لدينا طاولة شاغرة على التراس.
het terras
de terrassen
التراس
Omar wil een toetje. Het toilet is op het terras, rechts.يريد عمر حلوى. والحمّام على التراس، على اليمين.
het toetje
de toetjes
الحلوى
Omar wil een toetje. Het toilet is op het terras, rechts.يريد عمر حلوى. والحمّام على التراس، على اليمين.
het toilet
de toiletten
الحمام
de vis
de vissen
السمك
het vleesاللحم
Omar bestelt rijst zonder vlees. Bram bestelt vis.يطلب عمر أرزّاً من دون لحم. ويطلب برام سمكاً.
de vork
de vorken
الشوكة
de vraag
de vragen
السؤال
het waterالماء
De ober brengt brood en water. Eet smakelijk, zegt hij.يُحضر النادل خبزاً وماءً، ويقول: بالهناء والشفاء.
het zoutالملح
Het eten smaakt goed. Op de tafel staan het zout, een bord, een vork en een mes.الطعام لذيذ. وعلى الطاولة الملح، وصحن، وشوكة، وسكّين.
الأفعال وتصريفاتها ، 26

اضغط على الفعل ليظهر تصريفه كاملاً مع جميع الضمائر في الحاضر والماضي. ولاحظ أنّ wij وjullie وzij تأخذ صيغة واحدة، هي صورة المصدر نفسها: wij werken وjullie werken وzij werken. فصيغ الفعل الهولنديّ أقلّ عدداً ممّا في العربيّة.

الفعل غير المنتظم لا يتبع القاعدة، فلا يُشتقّ تصريفه بل يُحفظ كما هو. مثاله zijn: القاعدة تعطي «ik zijn» والصواب ik ben. وأكثر الأفعال منتظمة، وغير المنتظم قليل لكنّه من أكثرها استعمالاً.

afrekenenيدفع الحساب
المضارع
ikreken … af
jij / jerekent … af · reken jij … af?
hij / zij / hetrekent … af
wij / jullie / zijrekenen … af
الماضي
ik / jij / hijrekende … af
wij / jullie / zijrekenden … af
اسم المفعولafgerekend
Wij willen afrekenen. De ober vraagt: samen of apart?نريد دفع الحساب. يسأل النادل: معاً أم كلّ واحد على حدة؟
bestellenيطلب
المضارع
ikbestel
jij / jebestelt · bestel jij?
hij / zij / hetbestelt
wij / jullie / zijbestellen
الماضي
ik / jij / hijbestelde
wij / jullie / zijbestelden
binnenkomenيدخل · غير منتظم
المضارع
ikkom … binnen
jij / jekomt … binnen · kom jij … binnen?
hij / zij / hetkomt … binnen
wij / jullie / zijkomen … binnen
الماضي
ik / jij / hijkwam … binnen
wij / jullie / zijkwamen … binnen
اسم المفعولbinnengekomen
brengenيُحضر / يوصّل، حسب السياق · غير منتظم
المضارع
ikbreng
jij / jebrengt · breng jij?
hij / zij / hetbrengt
wij / jullie / zijbrengen
الماضي
ik / jij / hijbracht
wij / jullie / zijbrachten
اسم المفعولgebracht
etenيأكل · غير منتظم
المضارع
ikeet
jij / jeeet · eet jij?
hij / zij / heteet
wij / jullie / zijeten
الماضي
ik / jij / hijat
wij / jullie / zijaten
اسم المفعولgegeten
gaanيذهب · غير منتظم
المضارع
ikga
jij / jegaat · ga jij?
hij / zij / hetgaat
wij / jullie / zijgaan
الماضي
ik / jij / hijging
wij / jullie / zijgingen
اسم المفعولgegaan
gevenيعطي · غير منتظم
المضارع
ikgeef
jij / jegeeft · geef jij?
hij / zij / hetgeeft
wij / jullie / zijgeven
الماضي
ik / jij / hijgaf
wij / jullie / zijgaven
اسم المفعولgegeven
hebbenلديه / عنده · غير منتظم
المضارع
ikheb
jij / jehebt · heb jij?
hij / zij / hetheeft
wij / jullie / zijhebben
الماضي
ik / jij / hijhad
wij / jullie / zijhadden
اسم المفعولgehad
kennenيعرف (مكاناً أو شخصاً) · غير منتظم
المضارع
ikken
jij / jekent · ken jij?
hij / zij / hetkent
wij / jullie / zijkennen
الماضي
ik / jij / hijkende
wij / jullie / zijkenden
اسم المفعولgekend
kiezenيختار · غير منتظم
المضارع
ikkies
jij / jekiest · kies jij?
hij / zij / hetkiest
wij / jullie / zijkiezen
الماضي
ik / jij / hijkoos
wij / jullie / zijkozen
اسم المفعولgekozen
komenيأتي · غير منتظم
المضارع
ikkom
jij / jekomt · kom jij?
hij / zij / hetkomt
wij / jullie / zijkomen
الماضي
ik / jij / hijkwam
wij / jullie / zijkwamen
اسم المفعولgekomen
Anke en Bram komen ook. Wij zijn met vier personen.وأنكه وبرام سيأتيان أيضاً. نحن أربعة أشخاص.
langskomenيمرّ / يأتي للزيارة · غير منتظم
المضارع
ikkom … langs
jij / jekomt … langs · kom jij … langs?
hij / zij / hetkomt … langs
wij / jullie / zijkomen … langs
الماضي
ik / jij / hijkwam … langs
wij / jullie / zijkwamen … langs
اسم المفعولlangsgekomen
lezenيقرأ · غير منتظم
المضارع
iklees
jij / jeleest · lees jij?
hij / zij / hetleest
wij / jullie / zijlezen
الماضي
ik / jij / hijlas
wij / jullie / zijlazen
اسم المفعولgelezen
meenemenيأخذ معه · غير منتظم
المضارع
ikneem … mee
jij / jeneemt … mee · neem jij … mee?
hij / zij / hetneemt … mee
wij / jullie / zijnemen … mee
الماضي
ik / jij / hijnam … mee
wij / jullie / zijnamen … mee
اسم المفعولmeegenomen
nemenيأخذ · غير منتظم
المضارع
ikneem
jij / jeneemt · neem jij?
hij / zij / hetneemt
wij / jullie / zijnemen
الماضي
ik / jij / hijnam
wij / jullie / zijnamen
اسم المفعولgenomen
opstaanيستيقظ · غير منتظم
المضارع
iksta … op
jij / jestaat … op · sta jij … op?
hij / zij / hetstaat … op
wij / jullie / zijstaan … op
الماضي
ik / jij / hijstond … op
wij / jullie / zijstonden … op
اسم المفعولopgestaan
reserverenيحجز
المضارع
ikreserveer
jij / jereserveert · reserveer jij?
hij / zij / hetreserveert
wij / jullie / zijreserveren
الماضي
ik / jij / hijreserveerde
wij / jullie / zijreserveerden
اسم المفعولgereserveerd
smakenيكون طعمه / مذاقه
المضارع
iksmaak
jij / jesmaakt · smaak jij?
hij / zij / hetsmaakt
wij / jullie / zijsmaken
الماضي
ik / jij / hijsmaakte
wij / jullie / zijsmaakten
اسم المفعولgesmaakt
staanيقف / يكون موضوعاً · غير منتظم
المضارع
iksta
jij / jestaat · sta jij?
hij / zij / hetstaat
wij / jullie / zijstaan
الماضي
ik / jij / hijstond
wij / jullie / zijstonden
اسم المفعولgestaan
uitgevenينفق / يصرف · غير منتظم
المضارع
ikgeef … uit
jij / jegeeft … uit · geef jij … uit?
hij / zij / hetgeeft … uit
wij / jullie / zijgeven … uit
الماضي
ik / jij / hijgaf … uit
wij / jullie / zijgaven … uit
اسم المفعولuitgegeven
vragenيسأل · غير منتظم
المضارع
ikvraag
jij / jevraagt · vraag jij?
hij / zij / hetvraagt
wij / jullie / zijvragen
الماضي
ik / jij / hijvroeg
wij / jullie / zijvroegen
اسم المفعولgevraagd
weggaanيغادر · غير منتظم
المضارع
ikga … weg
jij / jegaat … weg · ga jij … weg?
hij / zij / hetgaat … weg
wij / jullie / zijgaan … weg
الماضي
ik / jij / hijging … weg
wij / jullie / zijgingen … weg
اسم المفعولweggegaan
wetenيعرف · غير منتظم
المضارع
ikweet
jij / jeweet · weet jij?
hij / zij / hetweet
wij / jullie / zijweten
الماضي
ik / jij / hijwist
wij / jullie / zijwisten
اسم المفعولgeweten
willenيريد · غير منتظم
المضارع
ikwil
jij / jewilt · wil jij?
hij / zij / hetwil
wij / jullie / zijwillen
الماضي
ik / jij / hijwilde
wij / jullie / zijwilden
اسم المفعولgewild
Wij willen afrekenen. De ober vraagt: samen of apart?نريد دفع الحساب. يسأل النادل: معاً أم كلّ واحد على حدة؟
zeggenيقول · غير منتظم
المضارع
ikzeg
jij / jezegt · zeg jij?
hij / zij / hetzegt
wij / jullie / zijzeggen
الماضي
ik / jij / hijzei
wij / jullie / zijzeiden
اسم المفعولgezegd
Apart, zeggen wij. En wij geven een fooi, want de ober was aardig.نقول: كلّ واحد على حدة. ونترك بقشيشاً، لأنّ النادل كان لطيفاً.
zijnيكون · غير منتظم
المضارع
ikben
jij / jebent · ben jij?
hij / zij / hetis
wij / jullie / zijzijn
الماضي
ik / jij / hijwas
wij / jullie / zijwaren
اسم المفعولgeweest
Anke en Bram komen ook. Wij zijn met vier personen.وأنكه وبرام سيأتيان أيضاً. نحن أربعة أشخاص.
الأفعال المنفصلة ، 7

فعل ينشطر في الجملة: جزؤه الأوّل يأخذ موضع الفعل، وجزؤه الثاني ينتقل إلى آخرها. وفي القاموس تجده مجموعاً (opstaan)، أمّا في الجملة فمفرّقاً: «Ik sta om zeven uur op». فإن بحثت عن staan وحدها فاتك معنى الفعل كلّه.

afrekenen
ik reken … af
يدفع الحساب
binnenkomen
ik kom … binnen
يدخل
langskomen
ik kom … langs
يمرّ / يأتي للزيارة
meenemen
ik neem … mee
يأخذ معه
opstaan
ik sta … op
يستيقظ
uitgeven
ik geef … uit
ينفق / يصرف
weggaan
ik ga … weg
يغادر
أفعال بحرف جرّ لازم ، 5

حرف الجر هنا جزء من تركيب الفعل، لذلك من الأفضل حفظ الفعل مع حرف الجر الذي يأتي معه. والعلامة ✗ تشير إلى خطأ شائع قد يقع فيه المتحدث العربي، والعلامة ✓ هي الصواب.

gaan + naarيذهب إلى
Ik ga naar school.
komen + uit
✗ Ik kom van Syrië
✓ Ik kom uit Syrië.
يأتي من / أصله من
gaan + met
✗ Ik ga bij de bus
✓ Ik ga met de bus.
يذهب بوسيلة نقل
vragen + aan
✗ Ik vraag de dokter het
✓ Ik vraag het aan de dokter.
يسأل شخصاً عن شيء
bestellen + bij
✗ Ik bestel van het restaurant
✓ Ik bestel bij het restaurant.
يطلب من (عند جهة)
حروف الجر وأدوات الربط ، 8
metبـ / مع
naarإلى
opعلى / في
zonderبدون
enو
تُستخدم لربط الكلمات والجمل
maarلكن
تُستخدم لربط الكلمات والجمل
ofأو
تُستخدم لربط الكلمات والجمل
wantلأنّ
تُستخدم لربط الكلمات والجمل
الأرقام والوقت ، 1
vierأربعة
تعابير جاهزة ، 2

بعض التعبيرات من الأفضل أن تتعلمها كوحدة واحدة كما تُستخدم في اللغة الطبيعية. لا تحتاج إلى تحليل كل كلمة فيها في هذه المرحلة.

eenأداة نكرة
eet smakelijkصحتين

التالي: Luisteren · الاستماع ←