كورس · الوحدة ١٣

Lezen · القراءة

الدورة كلّها مفتوحة للجميع هذه الأيّام، بلا تسجيل، ريثما نُنهي مراجعة النصوص. وبعد المراجعة تبقى الوحدات الثلاث الأولى مفتوحة، وما سواها مع الدورة.

اقرأ النصّ مرّتين: في المرّة الأولى دون توقّف، وفي المرّة الثانية ببطء وتركيز.

Een brief van de gemeente
سرعة الاستماع

يوجد زر للاستماع إلى النص. يمكنك الاستماع إليه أثناء القراءة؛ فهذا ليس غشًا، بل جزء من عملية التعلّم.

الضغط على أيّ جملة هولنديّة يُشغّل نطقها، والضغط عليها مرّة أخرى يوقف الصوت.

De gemeente stuurde mij een bericht. Ik kreeg de brief gisteren. In de brief staat een termijn: uiterlijk maandag moet ik reageren. Dat is verplicht. Zonder antwoord neemt de gemeente zelf een beslissing. Ik las de brief twee keer. De reden begreep ik niet.

أرسلت لي البلديّة إشعاراً. تلقّيت الرسالة أمس. وفي الرسالة مهلة: يجب أن أردّ في موعد أقصاه يوم الإثنين. وهذا إلزاميّ. وإذا لم أردّ، تتّخذ البلديّة قراراً بنفسها. قرأت الرسالة مرّتين، لكنّني لم أفهم السبب.

Bram las de brief met mij. Het was een aanvraag: ik moet iets aanvragen. Ik moet een formulier invullen en een kopie van mijn paspoort sturen. De kopie is een bijlage. Zonder bijlage is de aanvraag niet geldig. Ik vroeg: en te laat? Bram zei: dan begint de aanvraag opnieuw.

قرأ برام الرسالة معي. كانت طلباً: عليّ أن أقدّم طلباً. عليّ أن أملأ استمارة وأرسل نسخة من جواز سفري. والنسخة مرفق. ومن دون المرفق لا يكون الطلب صالحاً. سألت: وإن تأخّر؟ قال برام: عندها يبدأ الطلب من جديد.

Ik ging naar het loket. Ik nam een nummertje en wachtte op mijn beurt. De medewerker vroeg om legitimatie. Ik gaf mijn paspoort. Hij controleerde het adres. Een wijziging moet ik altijd doorgeven. Wij verhuizen niet, zei ik. Dat klopt, zei hij, en hij bevestigde de aanvraag.

ذهبت إلى شبّاك الخدمة. أخذت رقماً وانتظرت دوري. طلب الموظّف إثبات الهويّة. فأعطيته جواز سفري. تحقّق من العنوان. ويجب أن أبلّغ عن أيّ تغيير دائماً. قلت: لا ننتقل. قال: صحيح، ثمّ أكّد الطلب.

Veel aanvragen gaan digitaal. Ik ging naar de website en logde in. Ik had een wachtwoord en een code nodig. De code kwam snel. Ik printte het formulier en scande de kopie. De bevestiging kwam snel: het is gelukt. Vorige maand was het mislukt.

تُنجَز كثير من الطلبات رقميّاً. دخلت إلى الموقع وسجّلت الدخول. احتجت إلى كلمة مرور ورمز. ووصل الرمز بسرعة. طبعت الاستمارة ومسحت النسخة ضوئيّاً. ووصل التأكيد بسرعة: نجح الأمر. أمّا الشهر الماضي فلم تنجح العمليّة.

أسئلة الفهم

  1. ما آخر موعد للردّ؟
  2. ماذا يحدث إن لم تردّ؟
  3. ما الذي يجعل الطلب غير صالح؟
  4. ماذا فعلت عند شبّاك الخدمة أوّلاً؟
  5. ماذا حدث في النهاية عند استعمال الموقع؟

ما في هذا الدرس

٣١ كلمة جديدة، و٧٠ كلمة تعود من أسبوع سابق. التكرار مقصود: مع الاستمرار والمراجعة تثبت الكلمات في ذاكرتك، وليس من خلال القوائم وحدها.

Onvoltooid verleden tijd (ovt) · الماضي البسيط

De gemeente stuurde mij een bericht. Ik kreeg de brief gisteren.

الهولنديّة لها ماضيان: تتكلّم بأحدهما وتكتب بالآخر، ولا نظير لهذا التقسيم في العربيّة.

الأسماء مع de / het ، 25

أداة التعريف جزء مهم من الاسم، لذلك من الأفضل حفظ الاسم مع أداته: de أو het. وللعربيّة تقسيمها هي: مذكّر ومؤنّث، لكنّه لا يوافق de وhet، فلا يصحّ أن تحدس أداة الكلمة من جنسها في العربيّة. وانتبه: الجمع يأخذ de دائماً، مهما كانت أداة المفرد. het adres تصير de adressen، ولا تُقال het adressen أبداً.

de aanvraag
de aanvragen
الطلب
Bram las de brief met mij. Het was een aanvraag: ik moet iets aanvragen.قرأ برام الرسالة معي. كانت طلباً: عليّ أن أقدّم طلباً.
De kopie is een bijlage. Zonder bijlage is de aanvraag niet geldig.والنسخة مرفق. ومن دون المرفق لا يكون الطلب صالحاً.
het adres
de adressen
العنوان
Hij controleerde het adres. Een wijziging moet ik altijd doorgeven.تحقّق من العنوان. ويجب أن أبلّغ عن أيّ تغيير دائماً.
het antwoord
de antwoorden
الإجابة / الجواب
Dat is verplicht. Zonder antwoord neemt de gemeente zelf een beslissing.وهذا إلزاميّ. وإذا لم أردّ، تتّخذ البلديّة قراراً بنفسها.
het bericht
de berichten
الإشعار
de beslissing
de beslissingen
القرار
de beurt
de beurten
الدور
de bevestiging
de bevestigingen
التأكيد
De bevestiging kwam snel: het is gelukt. Vorige maand was het mislukt.ووصل التأكيد بسرعة: نجح الأمر. أمّا الشهر الماضي فلم تنجح العمليّة.
de bijlage
de bijlagen
المرفق
De kopie is een bijlage. Zonder bijlage is de aanvraag niet geldig.والنسخة مرفق. ومن دون المرفق لا يكون الطلب صالحاً.
de brief
de brieven
الرسالة
De gemeente stuurde mij een bericht. Ik kreeg de brief gisteren.أرسلت لي البلديّة إشعاراً. تلقّيت الرسالة أمس.
In de brief staat een termijn: uiterlijk maandag moet ik reageren.وفي الرسالة مهلة: يجب أن أردّ في موعد أقصاه يوم الإثنين.
de code
de codes
الرمز
Ik had een wachtwoord en een code nodig. De code kwam snel.احتجت إلى كلمة مرور ورمز. ووصل الرمز بسرعة.
het formulier
de formulieren
الاستمارة
Ik moet een formulier invullen en een kopie van mijn paspoort sturen.عليّ أن أملأ استمارة وأرسل نسخة من جواز سفري.
Ik printte het formulier en scande de kopie.طبعت الاستمارة ومسحت النسخة ضوئيّاً.
de gemeente
de gemeenten
البلدية
De gemeente stuurde mij een bericht. Ik kreeg de brief gisteren.أرسلت لي البلديّة إشعاراً. تلقّيت الرسالة أمس.
Dat is verplicht. Zonder antwoord neemt de gemeente zelf een beslissing.وهذا إلزاميّ. وإذا لم أردّ، تتّخذ البلديّة قراراً بنفسها.
de kopie
de kopieën
النسخة
Ik printte het formulier en scande de kopie.طبعت الاستمارة ومسحت النسخة ضوئيّاً.
de legitimatie
de legitimaties
إثبات الهوية
het loket
de loketten
الشباك
Ik ging naar het loket. Ik nam een nummertje en wachtte op mijn beurt.ذهبت إلى شبّاك الخدمة. أخذت رقماً وانتظرت دوري.
de maand
de maanden
الشهر
De bevestiging kwam snel: het is gelukt. Vorige maand was het mislukt.ووصل التأكيد بسرعة: نجح الأمر. أمّا الشهر الماضي فلم تنجح العمليّة.
de maandagالاثنين
In de brief staat een termijn: uiterlijk maandag moet ik reageren.وفي الرسالة مهلة: يجب أن أردّ في موعد أقصاه يوم الإثنين.
de medewerker
de medewerkers
الموظف
De medewerker vroeg om legitimatie. Ik gaf mijn paspoort.طلب الموظّف إثبات الهويّة. فأعطيته جواز سفري.
het nummertje
de nummertjes
رقم الدور
Ik ging naar het loket. Ik nam een nummertje en wachtte op mijn beurt.ذهبت إلى شبّاك الخدمة. أخذت رقماً وانتظرت دوري.
het paspoort
de paspoorten
جواز السفر
Ik moet een formulier invullen en een kopie van mijn paspoort sturen.عليّ أن أملأ استمارة وأرسل نسخة من جواز سفري.
De medewerker vroeg om legitimatie. Ik gaf mijn paspoort.طلب الموظّف إثبات الهويّة. فأعطيته جواز سفري.
de reden
de redenen
السبب
Ik las de brief twee keer. De reden begreep ik niet.قرأت الرسالة مرّتين، لكنّني لم أفهم السبب.
de termijn
de termijnen
المهلة
het wachtwoord
de wachtwoorden
كلمة السر
Ik had een wachtwoord en een code nodig. De code kwam snel.احتجت إلى كلمة مرور ورمز. ووصل الرمز بسرعة.
de website
de websites
الموقع
Veel aanvragen gaan digitaal. Ik ging naar de website en logde in.تُنجَز كثير من الطلبات رقميّاً. دخلت إلى الموقع وسجّلت الدخول.
de wijziging
de wijzigingen
التعديل
Hij controleerde het adres. Een wijziging moet ik altijd doorgeven.تحقّق من العنوان. ويجب أن أبلّغ عن أيّ تغيير دائماً.
الأفعال وتصريفاتها ، 36

اضغط على الفعل ليظهر تصريفه كاملاً مع جميع الضمائر في الحاضر والماضي. ولاحظ أنّ wij وjullie وzij تأخذ صيغة واحدة، هي صورة المصدر نفسها: wij werken وjullie werken وzij werken. فصيغ الفعل الهولنديّ أقلّ عدداً ممّا في العربيّة.

الفعل غير المنتظم لا يتبع القاعدة، فلا يُشتقّ تصريفه بل يُحفظ كما هو. مثاله zijn: القاعدة تعطي «ik zijn» والصواب ik ben. وأكثر الأفعال منتظمة، وغير المنتظم قليل لكنّه من أكثرها استعمالاً.

aanvragenيقدّم طلب · غير منتظم
المضارع
ikvraag … aan
jij / jevraagt … aan · vraag jij … aan?
hij / zij / hetvraagt … aan
wij / jullie / zijvragen … aan
الماضي
ik / jij / hijvroeg … aan
wij / jullie / zijvroegen … aan
اسم المفعولaangevraagd
Bram las de brief met mij. Het was een aanvraag: ik moet iets aanvragen.قرأ برام الرسالة معي. كانت طلباً: عليّ أن أقدّم طلباً.
antwoordenيجيب
المضارع
ikantwoord
jij / jeantwoordt · antwoord jij?
hij / zij / hetantwoordt
wij / jullie / zijantwoorden
الماضي
ik / jij / hijantwoordde
wij / jullie / zijantwoordden
اسم المفعولgeantwoord
beginnenيبدأ · غير منتظم
المضارع
ikbegin
jij / jebegint · begin jij?
hij / zij / hetbegint
wij / jullie / zijbeginnen
الماضي
ik / jij / hijbegon
wij / jullie / zijbegonnen
اسم المفعولbegonnen
begrijpenيفهم (يصل إليه المعنى) · غير منتظم
المضارع
ikbegrijp
jij / jebegrijpt · begrijp jij?
hij / zij / hetbegrijpt
wij / jullie / zijbegrijpen
الماضي
ik / jij / hijbegreep
wij / jullie / zijbegrepen
اسم المفعولbegrepen
bevestigenيأكّد
المضارع
ikbevestig
jij / jebevestigt · bevestig jij?
hij / zij / hetbevestigt
wij / jullie / zijbevestigen
الماضي
ik / jij / hijbevestigde
wij / jullie / zijbevestigden
binnenkomenيدخل · غير منتظم
المضارع
ikkom … binnen
jij / jekomt … binnen · kom jij … binnen?
hij / zij / hetkomt … binnen
wij / jullie / zijkomen … binnen
الماضي
ik / jij / hijkwam … binnen
wij / jullie / zijkwamen … binnen
اسم المفعولbinnengekomen
controlerenيدقّق
المضارع
ikcontroleer
jij / jecontroleert · controleer jij?
hij / zij / hetcontroleert
wij / jullie / zijcontroleren
الماضي
ik / jij / hijcontroleerde
wij / jullie / zijcontroleerden
اسم المفعولgecontroleerd
doorgevenيبلّغ · غير منتظم
المضارع
ikgeef … door
jij / jegeeft … door · geef jij … door?
hij / zij / hetgeeft … door
wij / jullie / zijgeven … door
الماضي
ik / jij / hijgaf … door
wij / jullie / zijgaven … door
اسم المفعولdoorgegeven
gaanيذهب · غير منتظم
المضارع
ikga
jij / jegaat · ga jij?
hij / zij / hetgaat
wij / jullie / zijgaan
الماضي
ik / jij / hijging
wij / jullie / zijgingen
اسم المفعولgegaan
Veel aanvragen gaan digitaal. Ik ging naar de website en logde in.تُنجَز كثير من الطلبات رقميّاً. دخلت إلى الموقع وسجّلت الدخول.
gevenيعطي · غير منتظم
المضارع
ikgeef
jij / jegeeft · geef jij?
hij / zij / hetgeeft
wij / jullie / zijgeven
الماضي
ik / jij / hijgaf
wij / jullie / zijgaven
اسم المفعولgegeven
hebbenلديه / عنده · غير منتظم
المضارع
ikheb
jij / jehebt · heb jij?
hij / zij / hetheeft
wij / jullie / zijhebben
الماضي
ik / jij / hijhad
wij / jullie / zijhadden
اسم المفعولgehad
inloggenتسجيل الدخول
المضارع
iklog … in
jij / jelogt … in · log jij … in?
hij / zij / hetlogt … in
wij / jullie / zijloggen … in
الماضي
ik / jij / hijlogde … in
wij / jullie / zijlogden … in
اسم المفعولingelogd
inschrijvenيسجّل / يسجّل نفسه · غير منتظم
المضارع
ikschrijf … in
jij / jeschrijft … in · schrijf jij … in?
hij / zij / hetschrijft … in
wij / jullie / zijschrijven … in
الماضي
ik / jij / hijschreef … in
wij / jullie / zijschreven … in
اسم المفعولingeschreven
invullenيملأ
المضارع
ikvul … in
jij / jevult … in · vul jij … in?
hij / zij / hetvult … in
wij / jullie / zijvullen … in
الماضي
ik / jij / hijvulde … in
wij / jullie / zijvulden … in
اسم المفعولingevuld
kloppenيصحّ (dat klopt = صحيح)
المضارع
ikklop
jij / jeklopt · klop jij?
hij / zij / hetklopt
wij / jullie / zijkloppen
الماضي
ik / jij / hijklopte
wij / jullie / zijklopten
اسم المفعولgeklopt
komenيأتي · غير منتظم
المضارع
ikkom
jij / jekomt · kom jij?
hij / zij / hetkomt
wij / jullie / zijkomen
الماضي
ik / jij / hijkwam
wij / jullie / zijkwamen
اسم المفعولgekomen
krijgenينال / يحصل على · غير منتظم
المضارع
ikkrijg
jij / jekrijgt · krijg jij?
hij / zij / hetkrijgt
wij / jullie / zijkrijgen
الماضي
ik / jij / hijkreeg
wij / jullie / zijkregen
اسم المفعولgekregen
langskomenيمرّ / يأتي للزيارة · غير منتظم
المضارع
ikkom … langs
jij / jekomt … langs · kom jij … langs?
hij / zij / hetkomt … langs
wij / jullie / zijkomen … langs
الماضي
ik / jij / hijkwam … langs
wij / jullie / zijkwamen … langs
اسم المفعولlangsgekomen
lezenيقرأ · غير منتظم
المضارع
iklees
jij / jeleest · lees jij?
hij / zij / hetleest
wij / jullie / zijlezen
الماضي
ik / jij / hijlas
wij / jullie / zijlazen
اسم المفعولgelezen
meenemenيأخذ معه · غير منتظم
المضارع
ikneem … mee
jij / jeneemt … mee · neem jij … mee?
hij / zij / hetneemt … mee
wij / jullie / zijnemen … mee
الماضي
ik / jij / hijnam … mee
wij / jullie / zijnamen … mee
اسم المفعولmeegenomen
moetenيجب / عليه أن · غير منتظم
المضارع
ikmoet
jij / jemoet · moet jij?
hij / zij / hetmoet
wij / jullie / zijmoeten
الماضي
ik / jij / hijmoest
wij / jullie / zijmoesten
اسم المفعولgemoeten
nemenيأخذ · غير منتظم
المضارع
ikneem
jij / jeneemt · neem jij?
hij / zij / hetneemt
wij / jullie / zijnemen
الماضي
ik / jij / hijnam
wij / jullie / zijnamen
اسم المفعولgenomen
opstaanيستيقظ · غير منتظم
المضارع
iksta … op
jij / jestaat … op · sta jij … op?
hij / zij / hetstaat … op
wij / jullie / zijstaan … op
الماضي
ik / jij / hijstond … op
wij / jullie / zijstonden … op
اسم المفعولopgestaan
printenيطبع
المضارع
ikprint
jij / jeprint · print jij?
hij / zij / hetprint
wij / jullie / zijprinten
الماضي
ik / jij / hijprintte
wij / jullie / zijprintten
اسم المفعولgeprint
reagerenيرد
المضارع
ikreageer
jij / jereageert · reageer jij?
hij / zij / hetreageert
wij / jullie / zijreageren
الماضي
ik / jij / hijreageerde
wij / jullie / zijreageerden
اسم المفعولgereageerd
scannenيمسح ضوئياً
المضارع
ikscan
jij / jescant · scan jij?
hij / zij / hetscant
wij / jullie / zijscannen
الماضي
ik / jij / hijscande
wij / jullie / zijscanden
اسم المفعولgescand
staanيقف / يكون موضوعاً · غير منتظم
المضارع
iksta
jij / jestaat · sta jij?
hij / zij / hetstaat
wij / jullie / zijstaan
الماضي
ik / jij / hijstond
wij / jullie / zijstonden
اسم المفعولgestaan
sturenيرسل
المضارع
ikstuur
jij / jestuurt · stuur jij?
hij / zij / hetstuurt
wij / jullie / zijsturen
الماضي
ik / jij / hijstuurde
wij / jullie / zijstuurden
اسم المفعولgestuurd
uitgevenينفق / يصرف · غير منتظم
المضارع
ikgeef … uit
jij / jegeeft … uit · geef jij … uit?
hij / zij / hetgeeft … uit
wij / jullie / zijgeven … uit
الماضي
ik / jij / hijgaf … uit
wij / jullie / zijgaven … uit
اسم المفعولuitgegeven
uitnodigenيدعو
المضارع
iknodig … uit
jij / jenodigt … uit · nodig jij … uit?
hij / zij / hetnodigt … uit
wij / jullie / zijnodigen … uit
الماضي
ik / jij / hijnodigde … uit
wij / jullie / zijnodigden … uit
اسم المفعولuitgenodigd
verhuizenينقل بيت
المضارع
ikverhuis
jij / jeverhuist · verhuis jij?
hij / zij / hetverhuist
wij / jullie / zijverhuizen
الماضي
ik / jij / hijverhuisde
wij / jullie / zijverhuisden
Wij verhuizen niet, zei ik. Dat klopt, zei hij, en hij bevestigde de aanvraag.قلت: لا ننتقل. قال: صحيح، ثمّ أكّد الطلب.
vragenيسأل · غير منتظم
المضارع
ikvraag
jij / jevraagt · vraag jij?
hij / zij / hetvraagt
wij / jullie / zijvragen
الماضي
ik / jij / hijvroeg
wij / jullie / zijvroegen
اسم المفعولgevraagd
wachtenينتظر
المضارع
ikwacht
jij / jewacht · wacht jij?
hij / zij / hetwacht
wij / jullie / zijwachten
الماضي
ik / jij / hijwachtte
wij / jullie / zijwachtten
اسم المفعولgewacht
weggaanيغادر · غير منتظم
المضارع
ikga … weg
jij / jegaat … weg · ga jij … weg?
hij / zij / hetgaat … weg
wij / jullie / zijgaan … weg
الماضي
ik / jij / hijging … weg
wij / jullie / zijgingen … weg
اسم المفعولweggegaan
zeggenيقول · غير منتظم
المضارع
ikzeg
jij / jezegt · zeg jij?
hij / zij / hetzegt
wij / jullie / zijzeggen
الماضي
ik / jij / hijzei
wij / jullie / zijzeiden
اسم المفعولgezegd
zijnيكون · غير منتظم
المضارع
ikben
jij / jebent · ben jij?
hij / zij / hetis
wij / jullie / zijzijn
الماضي
ik / jij / hijwas
wij / jullie / zijwaren
اسم المفعولgeweest
الأفعال المنفصلة ، 12

فعل ينشطر في الجملة: جزؤه الأوّل يأخذ موضع الفعل، وجزؤه الثاني ينتقل إلى آخرها. وفي القاموس تجده مجموعاً (opstaan)، أمّا في الجملة فمفرّقاً: «Ik sta om zeven uur op». فإن بحثت عن staan وحدها فاتك معنى الفعل كلّه.

aanvragen
ik vraag … aan
يقدّم طلب
binnenkomen
ik kom … binnen
يدخل
doorgeven
ik geef … door
يبلّغ
inloggen
ik log … in
تسجيل الدخول
inschrijven
ik schrijf … in
يسجّل / يسجّل نفسه
invullen
ik vul … in
يملأ
langskomen
ik kom … langs
يمرّ / يأتي للزيارة
meenemen
ik neem … mee
يأخذ معه
opstaan
ik sta … op
يستيقظ
uitgeven
ik geef … uit
ينفق / يصرف
uitnodigen
ik nodig … uit
يدعو
weggaan
ik ga … weg
يغادر
أفعال بحرف جرّ لازم ، 7

حرف الجر هنا جزء من تركيب الفعل، لذلك من الأفضل حفظ الفعل مع حرف الجر الذي يأتي معه. والعلامة ✗ تشير إلى خطأ شائع قد يقع فيه المتحدث العربي، والعلامة ✓ هي الصواب.

gaan + naarيذهب إلى
Ik ga naar school.
komen + uit
✗ Ik kom van Syrië
✓ Ik kom uit Syrië.
يأتي من / أصله من
beginnen + metيبدأ بـ
We beginnen met les één.
gaan + met
✗ Ik ga bij de bus
✓ Ik ga met de bus.
يذهب بوسيلة نقل
wachten + op
✗ Ik wacht de bus
✓ Ik wacht op de bus.
ينتظر (بلا حرف في العربيّة)
vragen + aan
✗ Ik vraag de dokter het
✓ Ik vraag het aan de dokter.
يسأل شخصاً عن شيء
reageren + opيرد على
Reageert u op deze brief.
حروف الجر وأدوات الربط ، 9
inفي
metبـ / مع
naarإلى
omفي (مع الوقت المحدد)
opعلى / في
teأنْ (قبل المصدر)
Ik vroeg: en te laat? Bram zei: dan begint de aanvraag opnieuw.سألت: وإن تأخّر؟ قال برام: عندها يبدأ الطلب من جديد.
vanمِن / لِـ
zonderبدون
enو
تُستخدم لربط الكلمات والجمل
Ik vroeg: en te laat? Bram zei: dan begint de aanvraag opnieuw.سألت: وإن تأخّر؟ قال برام: عندها يبدأ الطلب من جديد.
Wij verhuizen niet, zei ik. Dat klopt, zei hij, en hij bevestigde de aanvraag.قلت: لا ننتقل. قال: صحيح، ثمّ أكّد الطلب.
الأرقام والوقت ، 1
tweeاثنان
Ik las de brief twee keer. De reden begreep ik niet.قرأت الرسالة مرّتين، لكنّني لم أفهم السبب.
تعابير جاهزة ، 6

بعض التعبيرات من الأفضل أن تتعلمها كوحدة واحدة كما تُستخدم في اللغة الطبيعية. لا تحتاج إلى تحليل كل كلمة فيها في هذه المرحلة.

eenأداة نكرة
twee keerمرتين
te laatمتأخّر
kloptصحيح
geluktنجح الأمر
misluktلم ينجح

التالي: Luisteren · الاستماع ←