كورس · الوحدة ١٤

Lezen · القراءة

الدورة كلّها مفتوحة للجميع هذه الأيّام، بلا تسجيل، ريثما نُنهي مراجعة النصوص. وبعد المراجعة تبقى الوحدات الثلاث الأولى مفتوحة، وما سواها مع الدورة.

اقرأ النصّ مرّتين. ولاحظ: هذا النصّ لم تكن تستطيع قراءته في الأسبوع الرابع.

Een jaar in Nederland
سرعة الاستماع

يوجد زر للاستماع إلى النص. يمكنك الاستماع إليه أثناء القراءة؛ فهذا ليس غشًا، بل جزء من عملية التعلّم.

الضغط على أيّ جملة هولنديّة يُشغّل نطقها، والضغط عليها مرّة أخرى يوقف الصوت.

In januari kwam ik naar Nederland. Ik sprak geen Nederlands. In de gemeente gaf ik mijn naam en mijn adres. Ik begreep de medewerker niet. De medewerker sprak snel. Ik zei alleen: sorry, kunt u dat herhalen? Dat was genoeg.

في يناير وصلت إلى هولندا. لم أكن أتحدّث الهولنديّة. وفي البلديّة أعطيت اسمي وعنواني. لم أفهم الموظّف. كان الموظّف يتحدّث بسرعة. قلت فقط: عذراً، هل يمكنك تكرار ذلك؟ وكان ذلك كافياً.

Wij huurden een kleine woning in de Kerkstraat. Het raam was kapot. Ik belde en ik zei: het raam is kapot, kunt u komen? Els kwam op maandag. Omar begon op school. Ik bracht hem elke ochtend en ik haalde hem om drie uur. Ik ging naar de huisarts, naar de bank en naar het loket. Elke week had ik een afspraak.

استأجرنا مسكناً صغيراً في شارع كيرك. وكانت النافذة مكسورة. اتّصلت وقلت: النافذة مكسورة، هل يمكنك أن تأتي؟ فجاءت إلس يوم الإثنين. وبدأ عمر في المدرسة. كنت أوصّله كلّ صباح وأصطحبه في الثالثة. وذهبت إلى طبيب الأسرة وإلى البنك وإلى شبّاك الخدمة. وكان لديّ موعد كلّ أسبوع.

Nu koop ik eten en ik vraag de prijs. Ik betaal met de pinpas. Ik lees een brief van de gemeente en ik zie de termijn. Ik zeg nee, en dat is beleefd. Ik heb werk gevonden. Op maandag vroeg ik: kunt u het opnieuw laten zien?

الآن أشتري الطعام وأسأل عن السعر. وأدفع ببطاقة الدفع. وأقرأ رسالة من البلديّة وأرى المهلة فيها. وأقول «لا» لدعوة، وهذا أدب. ووجدت عملاً. وفي يوم الإثنين سألت: هل يمكنك أن تريني ذلك مرّة أخرى؟

Ik spreek nog niet goed. Ik begrijp de mensen op straat niet altijd. Een brief van de belasting is nog moeilijk voor mij. Maar ik ben niet meer bang. Ik vraag, en dat is genoeg. Volgende maand leer ik verder. Nederlands leren stopt niet in december.

ما زلت لا أتكلّم جيّداً. ولا أفهم الناس في الشارع دائماً. وما زالت رسالة دائرة الضرائب صعبة عليّ. لكنّي لم أعد خائفة. أسأل، وهذا يكفي. وفي الشهر القادم سأواصل التعلّم. فتعلّم الهولنديّة لا يتوقّف في ديسمبر.

أسئلة الفهم

  1. ما الجملة التي استعملتها فاطمة حين لم تفهم الموظّف؟
  2. ماذا فعلت حين تعطّلت النافذة؟
  3. ما الذي تستطيع فاطمة فعله الآن ولم تكن تستطيعه من قبل؟
  4. ما الذي ما زال صعباً على فاطمة؟
  5. كيف تشعر فاطمة في نهاية النصّ؟

ما في هذا الدرس

٠ كلمة جديدة، و١٠٦ كلمة تعود من أسبوع سابق. التكرار مقصود: مع الاستمرار والمراجعة تثبت الكلمات في ذاكرتك، وليس من خلال القوائم وحدها.

الأسماء مع de / het ، 25

أداة التعريف جزء مهم من الاسم، لذلك من الأفضل حفظ الاسم مع أداته: de أو het. وللعربيّة تقسيمها هي: مذكّر ومؤنّث، لكنّه لا يوافق de وhet، فلا يصحّ أن تحدس أداة الكلمة من جنسها في العربيّة. وانتبه: الجمع يأخذ de دائماً، مهما كانت أداة المفرد. het adres تصير de adressen، ولا تُقال het adressen أبداً.

het adres
de adressen
العنوان
In de gemeente gaf ik mijn naam en mijn adres. Ik begreep de medewerker niet.وفي البلديّة أعطيت اسمي وعنواني. لم أفهم الموظّف.
de afspraak
de afspraken
الموعد
Ik ging naar de huisarts, naar de bank en naar het loket. Elke week had ik een afspraak.وذهبت إلى طبيب الأسرة وإلى البنك وإلى شبّاك الخدمة. وكان لديّ موعد كلّ أسبوع.
de bank
de banken
البنك
de belasting
de belastingen
الضريبة / الضرائب
Een brief van de belasting is nog moeilijk voor mij.وما زالت رسالة دائرة الضرائب صعبة عليّ.
de brief
de brieven
الرسالة
Ik lees een brief van de gemeente en ik zie de termijn.وأقرأ رسالة من البلديّة وأرى المهلة فيها.
Een brief van de belasting is nog moeilijk voor mij.وما زالت رسالة دائرة الضرائب صعبة عليّ.
de gemeente
de gemeenten
البلدية
Ik lees een brief van de gemeente en ik zie de termijn.وأقرأ رسالة من البلديّة وأرى المهلة فيها.
de huisarts
de huisartsen
طبيب الأسرة
Ik ging naar de huisarts, naar de bank en naar het loket. Elke week had ik een afspraak.وذهبت إلى طبيب الأسرة وإلى البنك وإلى شبّاك الخدمة. وكان لديّ موعد كلّ أسبوع.
het loket
de loketten
الشباك
de maand
de maanden
الشهر
Volgende maand leer ik verder. Nederlands leren stopt niet in december.وفي الشهر القادم سأواصل التعلّم. فتعلّم الهولنديّة لا يتوقّف في ديسمبر.
de maandagالاثنين
Ik belde en ik zei: het raam is kapot, kunt u komen? Els kwam op maandag.اتّصلت وقلت: النافذة مكسورة، هل يمكنك أن تأتي؟ فجاءت إلس يوم الإثنين.
Ik heb werk gevonden. Op maandag vroeg ik: kunt u het opnieuw laten zien?ووجدت عملاً. وفي يوم الإثنين سألت: هل يمكنك أن تريني ذلك مرّة أخرى؟
de medewerker
de medewerkers
الموظف
De medewerker sprak snel. Ik zei alleen: sorry, kunt u dat herhalen?كان الموظّف يتحدّث بسرعة. قلت فقط: عذراً، هل يمكنك تكرار ذلك؟
de mens
de mensen
الإنسان؛ الجمع: الناس / الأشخاص
de naam
de namen
الاسم
In de gemeente gaf ik mijn naam en mijn adres. Ik begreep de medewerker niet.وفي البلديّة أعطيت اسمي وعنواني. لم أفهم الموظّف.
de ochtend
de ochtenden
الصباح
de pinpas
de pinpassen
بطاقة الدفع
Nu koop ik eten en ik vraag de prijs. Ik betaal met de pinpas.الآن أشتري الطعام وأسأل عن السعر. وأدفع ببطاقة الدفع.
de prijs
de prijzen
السعر
Nu koop ik eten en ik vraag de prijs. Ik betaal met de pinpas.الآن أشتري الطعام وأسأل عن السعر. وأدفع ببطاقة الدفع.
het raam
de ramen
النافذة
Wij huurden een kleine woning in de Kerkstraat. Het raam was kapot.استأجرنا مسكناً صغيراً في شارع كيرك. وكانت النافذة مكسورة.
Ik belde en ik zei: het raam is kapot, kunt u komen? Els kwam op maandag.اتّصلت وقلت: النافذة مكسورة، هل يمكنك أن تأتي؟ فجاءت إلس يوم الإثنين.
de school
de scholen
المدرسة
Omar begon op school. Ik bracht hem elke ochtend en ik haalde hem om drie uur.وبدأ عمر في المدرسة. كنت أوصّله كلّ صباح وأصطحبه في الثالثة.
de straat
de straten
الشارع
Ik spreek nog niet goed. Ik begrijp de mensen op straat niet altijd.ما زلت لا أتكلّم جيّداً. ولا أفهم الناس في الشارع دائماً.
de termijn
de termijnen
المهلة
het uur
de uren
الساعة / مدة زمنية
Omar begon op school. Ik bracht hem elke ochtend en ik haalde hem om drie uur.وبدأ عمر في المدرسة. كنت أوصّله كلّ صباح وأصطحبه في الثالثة.
de vraag
de vragen
السؤال
Maar ik ben niet meer bang. Ik vraag, en dat is genoeg.لكنّي لم أعد خائفة. أسأل، وهذا يكفي.
de week
de weken
الأسبوع
het werkالعمل
Ik heb werk gevonden. Op maandag vroeg ik: kunt u het opnieuw laten zien?ووجدت عملاً. وفي يوم الإثنين سألت: هل يمكنك أن تريني ذلك مرّة أخرى؟
de woning
de woningen
المسكن
Wij huurden een kleine woning in de Kerkstraat. Het raam was kapot.استأجرنا مسكناً صغيراً في شارع كيرك. وكانت النافذة مكسورة.
الأفعال وتصريفاتها ، 36

اضغط على الفعل ليظهر تصريفه كاملاً مع جميع الضمائر في الحاضر والماضي. ولاحظ أنّ wij وjullie وzij تأخذ صيغة واحدة، هي صورة المصدر نفسها: wij werken وjullie werken وzij werken. فصيغ الفعل الهولنديّ أقلّ عدداً ممّا في العربيّة.

الفعل غير المنتظم لا يتبع القاعدة، فلا يُشتقّ تصريفه بل يُحفظ كما هو. مثاله zijn: القاعدة تعطي «ik zijn» والصواب ik ben. وأكثر الأفعال منتظمة، وغير المنتظم قليل لكنّه من أكثرها استعمالاً.

aanvragenيقدّم طلب · غير منتظم
المضارع
ikvraag … aan
jij / jevraagt … aan · vraag jij … aan?
hij / zij / hetvraagt … aan
wij / jullie / zijvragen … aan
الماضي
ik / jij / hijvroeg … aan
wij / jullie / zijvroegen … aan
اسم المفعولaangevraagd
afsprekenيتفق على موعد · غير منتظم
المضارع
ikspreek … af
jij / jespreekt … af · spreek jij … af?
hij / zij / hetspreekt … af
wij / jullie / zijspreken … af
الماضي
ik / jij / hijsprak … af
wij / jullie / zijspraken … af
اسم المفعولafgesproken
beginnenيبدأ · غير منتظم
المضارع
ikbegin
jij / jebegint · begin jij?
hij / zij / hetbegint
wij / jullie / zijbeginnen
الماضي
ik / jij / hijbegon
wij / jullie / zijbegonnen
اسم المفعولbegonnen
begrijpenيفهم (يصل إليه المعنى) · غير منتظم
المضارع
ikbegrijp
jij / jebegrijpt · begrijp jij?
hij / zij / hetbegrijpt
wij / jullie / zijbegrijpen
الماضي
ik / jij / hijbegreep
wij / jullie / zijbegrepen
اسم المفعولbegrepen
bellenيتصل
المضارع
ikbel
jij / jebelt · bel jij?
hij / zij / hetbelt
wij / jullie / zijbellen
الماضي
ik / jij / hijbelde
wij / jullie / zijbelden
اسم المفعولgebeld
betalenيدفع
المضارع
ikbetaal
jij / jebetaalt · betaal jij?
hij / zij / hetbetaalt
wij / jullie / zijbetalen
الماضي
ik / jij / hijbetaalde
wij / jullie / zijbetaalden
binnenkomenيدخل · غير منتظم
المضارع
ikkom … binnen
jij / jekomt … binnen · kom jij … binnen?
hij / zij / hetkomt … binnen
wij / jullie / zijkomen … binnen
الماضي
ik / jij / hijkwam … binnen
wij / jullie / zijkwamen … binnen
اسم المفعولbinnengekomen
brengenيُحضر / يوصّل، حسب السياق · غير منتظم
المضارع
ikbreng
jij / jebrengt · breng jij?
hij / zij / hetbrengt
wij / jullie / zijbrengen
الماضي
ik / jij / hijbracht
wij / jullie / zijbrachten
اسم المفعولgebracht
doorgevenيبلّغ · غير منتظم
المضارع
ikgeef … door
jij / jegeeft … door · geef jij … door?
hij / zij / hetgeeft … door
wij / jullie / zijgeven … door
الماضي
ik / jij / hijgaf … door
wij / jullie / zijgaven … door
اسم المفعولdoorgegeven
etenيأكل · غير منتظم
المضارع
ikeet
jij / jeeet · eet jij?
hij / zij / heteet
wij / jullie / zijeten
الماضي
ik / jij / hijat
wij / jullie / zijaten
اسم المفعولgegeten
gaanيذهب · غير منتظم
المضارع
ikga
jij / jegaat · ga jij?
hij / zij / hetgaat
wij / jullie / zijgaan
الماضي
ik / jij / hijging
wij / jullie / zijgingen
اسم المفعولgegaan
gevenيعطي · غير منتظم
المضارع
ikgeef
jij / jegeeft · geef jij?
hij / zij / hetgeeft
wij / jullie / zijgeven
الماضي
ik / jij / hijgaf
wij / jullie / zijgaven
اسم المفعولgegeven
halenيذهب لإحضار / يصطحب
المضارع
ikhaal
jij / jehaalt · haal jij?
hij / zij / hethaalt
wij / jullie / zijhalen
الماضي
ik / jij / hijhaalde
wij / jullie / zijhaalden
اسم المفعولgehaald
hebbenلديه / عنده · غير منتظم
المضارع
ikheb
jij / jehebt · heb jij?
hij / zij / hetheeft
wij / jullie / zijhebben
الماضي
ik / jij / hijhad
wij / jullie / zijhadden
اسم المفعولgehad
herhalenيعيد
المضارع
ikherhaal
jij / jeherhaalt · herhaal jij?
hij / zij / hetherhaalt
wij / jullie / zijherhalen
الماضي
ik / jij / hijherhaalde
wij / jullie / zijherhaalden
De medewerker sprak snel. Ik zei alleen: sorry, kunt u dat herhalen?كان الموظّف يتحدّث بسرعة. قلت فقط: عذراً، هل يمكنك تكرار ذلك؟
hurenيستأجر
المضارع
ikhuur
jij / jehuurt · huur jij?
hij / zij / hethuurt
wij / jullie / zijhuren
الماضي
ik / jij / hijhuurde
wij / jullie / zijhuurden
اسم المفعولgehuurd
inloggenتسجيل الدخول
المضارع
iklog … in
jij / jelogt … in · log jij … in?
hij / zij / hetlogt … in
wij / jullie / zijloggen … in
الماضي
ik / jij / hijlogde … in
wij / jullie / zijlogden … in
اسم المفعولingelogd
inschrijvenيسجّل / يسجّل نفسه · غير منتظم
المضارع
ikschrijf … in
jij / jeschrijft … in · schrijf jij … in?
hij / zij / hetschrijft … in
wij / jullie / zijschrijven … in
الماضي
ik / jij / hijschreef … in
wij / jullie / zijschreven … in
اسم المفعولingeschreven
invullenيملأ
المضارع
ikvul … in
jij / jevult … in · vul jij … in?
hij / zij / hetvult … in
wij / jullie / zijvullen … in
الماضي
ik / jij / hijvulde … in
wij / jullie / zijvulden … in
اسم المفعولingevuld
komenيأتي · غير منتظم
المضارع
ikkom
jij / jekomt · kom jij?
hij / zij / hetkomt
wij / jullie / zijkomen
الماضي
ik / jij / hijkwam
wij / jullie / zijkwamen
اسم المفعولgekomen
kopenيشتري · غير منتظم
المضارع
ikkoop
jij / jekoopt · koop jij?
hij / zij / hetkoopt
wij / jullie / zijkopen
الماضي
ik / jij / hijkocht
wij / jullie / zijkochten
اسم المفعولgekocht
kunnenيستطيع / يقدر · غير منتظم
المضارع
ikkan
jij / jekunt · kun jij?
hij / zij / hetkan
wij / jullie / zijkunnen
الماضي
ik / jij / hijkon
wij / jullie / zijkonden
اسم المفعولgekund
langskomenيمرّ / يأتي للزيارة · غير منتظم
المضارع
ikkom … langs
jij / jekomt … langs · kom jij … langs?
hij / zij / hetkomt … langs
wij / jullie / zijkomen … langs
الماضي
ik / jij / hijkwam … langs
wij / jullie / zijkwamen … langs
اسم المفعولlangsgekomen
lerenيتعلّم
المضارع
ikleer
jij / jeleert · leer jij?
hij / zij / hetleert
wij / jullie / zijleren
الماضي
ik / jij / hijleerde
wij / jullie / zijleerden
اسم المفعولgeleerd
Volgende maand leer ik verder. Nederlands leren stopt niet in december.وفي الشهر القادم سأواصل التعلّم. فتعلّم الهولنديّة لا يتوقّف في ديسمبر.
lezenيقرأ · غير منتظم
المضارع
iklees
jij / jeleest · lees jij?
hij / zij / hetleest
wij / jullie / zijlezen
الماضي
ik / jij / hijlas
wij / jullie / zijlazen
اسم المفعولgelezen
opstaanيستيقظ · غير منتظم
المضارع
iksta … op
jij / jestaat … op · sta jij … op?
hij / zij / hetstaat … op
wij / jullie / zijstaan … op
الماضي
ik / jij / hijstond … op
wij / jullie / zijstonden … op
اسم المفعولopgestaan
sprekenيتكلّم · غير منتظم
المضارع
ikspreek
jij / jespreekt · spreek jij?
hij / zij / hetspreekt
wij / jullie / zijspreken
الماضي
ik / jij / hijsprak
wij / jullie / zijspraken
اسم المفعولgesproken
stoppenيوقف
المضارع
ikstop
jij / jestopt · stop jij?
hij / zij / hetstopt
wij / jullie / zijstoppen
الماضي
ik / jij / hijstopte
wij / jullie / zijstopten
اسم المفعولgestopt
uitgevenينفق / يصرف · غير منتظم
المضارع
ikgeef … uit
jij / jegeeft … uit · geef jij … uit?
hij / zij / hetgeeft … uit
wij / jullie / zijgeven … uit
الماضي
ik / jij / hijgaf … uit
wij / jullie / zijgaven … uit
اسم المفعولuitgegeven
vindenيجد / يرى (رأياً) · غير منتظم
المضارع
ikvind
jij / jevindt · vind jij?
hij / zij / hetvindt
wij / jullie / zijvinden
الماضي
ik / jij / hijvond
wij / jullie / zijvonden
اسم المفعولgevonden
vragenيسأل · غير منتظم
المضارع
ikvraag
jij / jevraagt · vraag jij?
hij / zij / hetvraagt
wij / jullie / zijvragen
الماضي
ik / jij / hijvroeg
wij / jullie / zijvroegen
اسم المفعولgevraagd
weggaanيغادر · غير منتظم
المضارع
ikga … weg
jij / jegaat … weg · ga jij … weg?
hij / zij / hetgaat … weg
wij / jullie / zijgaan … weg
الماضي
ik / jij / hijging … weg
wij / jullie / zijgingen … weg
اسم المفعولweggegaan
werkenيعمل
المضارع
ikwerk
jij / jewerkt · werk jij?
hij / zij / hetwerkt
wij / jullie / zijwerken
الماضي
ik / jij / hijwerkte
wij / jullie / zijwerkten
اسم المفعولgewerkt
zeggenيقول · غير منتظم
المضارع
ikzeg
jij / jezegt · zeg jij?
hij / zij / hetzegt
wij / jullie / zijzeggen
الماضي
ik / jij / hijzei
wij / jullie / zijzeiden
اسم المفعولgezegd
zienيرى · غير منتظم
المضارع
ikzie
jij / jeziet · zie jij?
hij / zij / hetziet
wij / jullie / zijzien
الماضي
ik / jij / hijzag
wij / jullie / zijzagen
اسم المفعولgezien
zijnيكون · غير منتظم
المضارع
ikben
jij / jebent · ben jij?
hij / zij / hetis
wij / jullie / zijzijn
الماضي
ik / jij / hijwas
wij / jullie / zijwaren
اسم المفعولgeweest
الأفعال المنفصلة ، 11

فعل ينشطر في الجملة: جزؤه الأوّل يأخذ موضع الفعل، وجزؤه الثاني ينتقل إلى آخرها. وفي القاموس تجده مجموعاً (opstaan)، أمّا في الجملة فمفرّقاً: «Ik sta om zeven uur op». فإن بحثت عن staan وحدها فاتك معنى الفعل كلّه.

aanvragen
ik vraag … aan
يقدّم طلب
afspreken
ik spreek … af
يتفق على موعد
binnenkomen
ik kom … binnen
يدخل
doorgeven
ik geef … door
يبلّغ
inloggen
ik log … in
تسجيل الدخول
inschrijven
ik schrijf … in
يسجّل / يسجّل نفسه
invullen
ik vul … in
يملأ
langskomen
ik kom … langs
يمرّ / يأتي للزيارة
opstaan
ik sta … op
يستيقظ
uitgeven
ik geef … uit
ينفق / يصرف
weggaan
ik ga … weg
يغادر
أفعال بحرف جرّ لازم ، 9

حرف الجر هنا جزء من تركيب الفعل، لذلك من الأفضل حفظ الفعل مع حرف الجر الذي يأتي معه. والعلامة ✗ تشير إلى خطأ شائع قد يقع فيه المتحدث العربي، والعلامة ✓ هي الصواب.

gaan + naarيذهب إلى
Ik ga naar school.
komen + uit
✗ Ik kom van Syrië
✓ Ik kom uit Syrië.
يأتي من / أصله من
beginnen + metيبدأ بـ
We beginnen met les één.
werken + bijيعمل لدى (جهة)
Ik werk bij een bakkerij.
werken + alsيعمل بمهنة
Hij werkt als kok.
gaan + met
✗ Ik ga bij de bus
✓ Ik ga met de bus.
يذهب بوسيلة نقل
vragen + aan
✗ Ik vraag de dokter het
✓ Ik vraag het aan de dokter.
يسأل شخصاً عن شيء
betalen + voorيدفع مقابل
Ik betaal voor het brood.
bellen
✗ Ik bel naar de huisarts
✓ Ik bel de huisarts.
يتّصل بشخص
حروف الجر وأدوات الربط ، 9
inفي
In januari kwam ik naar Nederland. Ik sprak geen Nederlands.في يناير وصلت إلى هولندا. لم أكن أتحدّث الهولنديّة.
metبـ / مع
naarإلى
In januari kwam ik naar Nederland. Ik sprak geen Nederlands.في يناير وصلت إلى هولندا. لم أكن أتحدّث الهولنديّة.
omفي (مع الوقت المحدد)
opعلى / في
Ik spreek nog niet goed. Ik begrijp de mensen op straat niet altijd.ما زلت لا أتكلّم جيّداً. ولا أفهم الناس في الشارع دائماً.
vanمِن / لِـ
voorقبل / إلّا (في قراءة الساعة)
enو
تُستخدم لربط الكلمات والجمل
Ik zeg nee, en dat is beleefd.وأقول «لا» لدعوة، وهذا أدب.
Maar ik ben niet meer bang. Ik vraag, en dat is genoeg.لكنّي لم أعد خائفة. أسأل، وهذا يكفي.
maarلكن
تُستخدم لربط الكلمات والجمل
الأرقام والوقت ، 1
drieثلاثة
تعابير جاهزة ، 2

بعض التعبيرات من الأفضل أن تتعلمها كوحدة واحدة كما تُستخدم في اللغة الطبيعية. لا تحتاج إلى تحليل كل كلمة فيها في هذه المرحلة.

eenأداة نكرة
sorryعذراً / آسف

التالي: Luisteren · الاستماع ←