السكن
Wonen
ما تقوله عن البيت والإيجار، وحين يتعطّل شيء، ومع الجيران.
الضغط على الجملة الهولنديّة يُشغّل صوتها.
هذا يبطّئ سرعة النطق، فتتمكن من سماع الأصوات داخل الكلمات بوضوح أكبر. أما زر «بطيء» فيشغّل تسجيلًا آخر يحتوي على فواصل قصيرة بين الكلمات، لتتمكن من سماع حدود كل كلمة بوضوح.
كلّ جمل الموضوع أمامك، مع الترجمة والشرح.
Ik zoek een woning in deze buurt.
Is de woning nog vrij?
Hoeveel is de huur per maand?
Zijn de kosten voor gas en licht inbegrepen?
Wat is de borg?
Krijg ik de borg terug?
Mag ik het contract eerst lezen?
Kan ik het contract meenemen?
Voor hoelang is het contract?
Wanneer krijg ik de sleutel?
Ik heb de huur al betaald.
De huur gaat volgend jaar omhoog.
Ik kan de huur deze maand niet betalen.
Kunnen we een regeling treffen?
De verwarming doet het niet.
Er is geen warm water.
De kraan lekt.
Er is een lek in het plafond.
Het raam sluit niet goed.
De deur klemt.
Het slot is kapot.
Er zit schimmel op de muur.
De wc is verstopt.
Het licht in de gang doet het niet.
Ik wil een reparatie melden.
Ik heb het vorige week al gemeld.
Wanneer komt de monteur?
Kan de monteur na vijf uur komen?
Ik ben de hele dag thuis.
Wie betaalt de reparatie?
Ik heb het niet expres kapot gemaakt.
Mag ik u iets vragen?
Ik ben uw nieuwe buurman.
Ik ben uw nieuwe buurvrouw.
Sorry voor het lawaai gisteren.
De buren maken ’s nachts veel lawaai.
Kunt u de muziek wat zachter zetten?
Ik heb morgen vroeg werk.
Wilt u een keer koffie komen drinken?
Kunt u een pakketje voor mij aannemen?
Bedankt voor het aannemen van het pakket.
Ik wil me aanmelden voor gas en licht.
Wat is mijn meterstand?
Ik geef de meterstand door.
De rekening is hoger dan vorig jaar.
Ik betaal elke maand een voorschot.
Kan het voorschot omlaag?
Ik wil van energieleverancier veranderen.
Het water is afgesloten.
Wanneer wordt het afval opgehaald?
Waar kan ik het glas kwijt?
Het papier gaat in de blauwe bak.
Mag ik hier mijn fiets neerzetten?
Roken mag hier niet.
Mag ik een hond houden in deze woning?
Ik wil een schotel op het balkon zetten.
Ik ga volgende maand verhuizen.
Ik moet mijn nieuwe adres doorgeven.
Ik heb een verhuiswagen nodig.
Kunt u mij helpen met verhuizen?
De woning moet leeg en schoon zijn.
Ik lever de sleutels morgen in.
De woning heeft twee slaapkamers.
De keuken is klein maar genoeg.
Er is geen lift in dit gebouw.
Wij wonen op de derde verdieping.
Het huis is licht en rustig.
Ik zoek een tweedehands bank.
Waar kan ik goedkope meubels kopen?
De wasmachine staat in de badkamer.
Mag ik iets aan de muur hangen?
Ik heb geen gordijnen.
Is er een school in de buurt?
Waar is de dichtstbijzijnde supermarkt?
De bushalte is om de hoek.
Het is hier ’s avonds rustig.
Ik voel me hier veilig.
Wij wonen hier nu een jaar.
Wij willen hier graag blijven.
De kinderen spelen buiten op het plein.
Ik ken mijn buren nog niet goed.
Wij hebben geen problemen met de buren.